Odra Buijs
Tom Meulemans
       
Url: Literatuur|Beweging in spelbeelden

Beweging in spelbeelden

Een methodiek voor het gebruik van symbolisch spel
bij de hulpverlening aan jongeren en volwassenen.

 

Odra Buijs

 


Inleiding

 

In dit artikel wordt een methode gepresenteerd om symbolisch spel toe te passen in de hulpverlening aan jongeren en volwassenen.
Symbolisch spel heeft een belangrijke therapeutische werking. Deze kan gemakkelijk ingezet worden voor kinderen, omdat symbolisch spel voor hen een vanzelfsprekende bezigheid is. Volwassenen vinden het meestal wel leuk om opstellingen te maken, maar brengen het spel minder gemakkelijk in beweging. Door vragen te stellen die uitnodigen tot het in beweging brengen van het spelbeeld kan de therapeut helpen, om ook bij volwassenen volledig gebruik te maken van de helende eigenschappen van verbeeldend spel.
Na een korte bespreking van de functies van doen-alsof spel zal de methodiek besproken worden. Aan de hand van voorbeelden zal worden geïllustreerd welke stappen genomen moeten worden opdat het symbolisch spel de cliënt helpt om inzicht te krijgen en het probleemoplossend handelen wordt vergroot.

 


Functies van symbolisch spel

 

Of je het nu fantasiespel, verbeeldend spel, symbolisch spel of doen-alsof spel noemt, dit soort spel wordt veel en graag door kinderen gespeeld. Het heeft een belangrijke functie in hun ontwikkeling, zowel op cognitief, sociaal als emotioneel gebied.
Fantasiespel is een van de belangrijkste manieren waarop het jonge kind de ingewikkelde uiterlijke omgeving 'pbergt’ in een hoeveelheid georganiseerde herinneringen. Het helpt het kind nieuwe informatie in zich op te nemen en te verwerken. Spelen en opnieuw spelen: veelvuldige herhalingen zijn kenmerkend voor de spelactiviteiten van kinderen. Dit bevordert zo de cognitieve ontwikkeling.
De thema’s in het spel van kinderen zijn emotioneel relevant, hebben emotionele betekenis. Het spel centreert zich vaak rond onderwerpen die in de geest van het kind verbonden zijn met heftige emoties: intense angst,  vrees, droefheid, blijdschap, woede. Doen-alsof spel kan het kind helpen zijn eigen gevoelens en overtuigingen te onderzoeken. Via het symbolische spel kan het kind uiting geven aan deze heftige emoties. Het helpt het kind om (spannende) gebeurtenissen niet alleen cognitief maar ook emotioneel te verwerken. En waar dit spel wordt gevolgd door een ‘luisterende’ toeschouwer is het een prachtig middel om moeilijke, ambivalente gevoelens, waarover niet zomaar gesproken kan worden, toch in communicatie te brengen. Zo helpt dit spel mee aan een gezonde emotionele ontwikkeling.

 

Vera (3 jaar) loopt knorrend rond. ”Ik ben een varken”meldt ze haar moeder, die het varkentje even liefkozend streelt. De volwassenen in de kamer lachen om Vera. Daarop loopt haar broer Paul (4,5 jaar) naar haar toe en zegt: “Dan ben ik de slager”. Hij gaat achter haar staan, houdt haar met zijn ene arm vast om haar keel en maakt met zijn andere arm grote snijbewegingen voor haar buik. Vera worstelt om los te komen en samen rollen ze stoeiend en lachend over de vloer.

 

Paul is erg gebonden aan zijn moeder, durft nog nauwelijks contacten aan met kinderen buitenshuis en is dus erg op zijn zusje aangewezen als spelgenoot. In dit korte spel heeft hij even hel intens zijn gevoelens rondom zijn zusje tot uitdrukking kunnen brengen. “Ik wil met je spelen en ik wou dat je niet bestond” is de complexe boodschap die Paul hier overbrengt. En in plaats van afkeuring over het negatieve deel van die boodschap, onderwindt hij waardering van de volwassenen voor zijn creatieve bijdrage aan het spel.

 

De peuter speelt zijn fantasiespel nog veel in de vorm van rollenspel, waarin hijzelf een rol neemt en de pop, de beer of een volwassenen de medespeler is. Als het kind wat ouder wordt blijft rollenspel een belangrijke spelvorm in het samenspel met andere kinderen en draagt zo bij tot een gezonde sociale ontwikkeling.
In solospel zal het kind steeds meer zijn ervaringen weergeven in opstellingen en bewegende voorstellingen met kleine spelmaterialen.

 


De methodiek

 

In de hulpverlening aan kinderen wordt veel gebruik gemaakt van de groei bevorderende eigenschappen van verbeeldend spel. In de behandelingen van adolescenten en volwassenen gebeurt dit echter zelden. Wij hebben een methode ontwikkeld om ook in de hulpverlening aan oudere kinderen, jongeren en volwassenen de helende eigenschappen van symbolisch spel volledig te benutten.

 

Daartoe krijgt de cliënt (in het vervolg van dit artikel zal ik spreken van de ‘speler’) een grote hoeveelheid klein spelmateriaal ter beschikking: mensfiguren met attributen, allerlei soorten dieren, struiken en bomen, hekken en poorten en alle soorten en maten, voertuigen, huizen, blokken en andere bouwstenen, doosjes en kistjes, monster, kabouters en engelen, papier, stenen, lapjes, zand en water.
De therapeut vraagt de speler met een keuze uit deze materialen een statische opstelling te maken over wat hem/haar bezighoudt.
Het is mijn ervaring dat het er weinig toe doet hoe deze opdracht luidt: of je nu vraagt over een aangename jeugdherinnering, iets wat indruk op je heeft gemaakt, of om je probleem te verbeelden, steeds is in de opstelling de thematiek te vinden die op dit moment actueel is voor de speler. Die thematiek kleurt ook de beleving van de laatste vakantie of de herinneringen aan de eigen jeugd.
De materialen worden meestal door de speler met grote zorg uitgezocht en neergezet, zonder altijd bewust te weten waarom nu dit specifieke voorwerp, dit dier, deze figuur gekozen wordt. Het ‘weten’ wat je nodig hebt lijkt net als het beeld zelf uit een diepere bewustzijnslaag te komen dan het cognitieve weten. Daardoor worden in het werken met deze beelden onbewuste motieven en gevoelens zichtbaar en daarmee toegankelijk.

Vervolgens helpt de therapeut de speler door middel van vragen het probleem of themaverder te onderzoeken en onder ogen te zien. De vragen zijn er ook op gericht de hulpbronnen te vinden die aanwezig zijn. Dan kunnen vervolgens stappen worden gezet om het beeld in beweging te brengen in de richting van een oplossing van het probleem. Hiervoor is niet nodig dat de therapeut interpreteert, begrijpt en vertaalt wat er staat. De therapeut zal slechts invoegen en aansluiten bij de betekenisverlening van de speler en vragen stellen vanuit deze empathische inleving.
Essentieel is dat de inhoud van het probleem niet wordt besproken maar slechts wordt bewerkt binnen de spelbeelden. Het blijft behoren tot het privé-gebied van de speler.

 


De stappen

 

Bij het in beweging brengen van het spelbeeld kunnen een aantal stappen onderscheiden worden. Ter verduidelijking zal ik bij elke stap een of enkele voorbeelden geven.

 

Stap 1: toe-eigenen en compleet maken
De eerste stap die gemaakt wordt is dat de speler zich het neergezette beeld gaat toe-eigenen, dat hij het gaat beleven als iets van zichzelf. Dit kan worden bereikt door de speler uit te nodigen het beeld te beschrijven, er iets over te vertellen. Belangrijk daarbij is dat de speler niet praat over zichzelf of het beeld gaat uitleggen. Wanneer de speler begint met: “Nou, ik heb hier een huis neergezet en dit poppetje is mijn moeder en hierachter speel ik met mijn zusje…” helpt de therapeut door te zeggen: “Ik zie het; dus deze vrouw, bij het huis, is de moeder van deze twee spelende kinderen…” Op deze manier wordt gesproken binnen het beeld en niet over het beeld. Dit heeft tot gevolg dat de speler zich minder bewust wordt van zichzelf en zijn handelen op dit moment.
Voor sommigen is het moeilijk om binnen het beeld te blijven praten: ze blijven uitleggen wat en waarop ze iets bepaalds neergezet hebben. Dit lijkt te maken te hebben met de angst dat er toch geïnterpreteerd zal worden en dat ze dan bij een foute ‘interpretatie’ verkeerd begrepen zullen worden. In die gevallen is het dus belangrijk om nogmaals te benadrukken dat het niet gaat om interpretatie.

 

Door een beschrijving van het beeld te laten geven wordt ook duidelijk of het beeld compleet is, of alle essentiële zaken er staan. Sommige opstellingen zijn fragmenten, laten een beperkt deel van de thematiek zien. De eerste stap is dan om het beeld aan te vullen, compleet te maken.


Een speler heeft de volgende opstelling gemaakt:
Een hoop gestapelde lego steentjes, bovenop een doorzichtig plastic steentje en wat bloempjes.
Door de beschrijving te vragen wordt het duidelijk dat dit een berglandschap is of een modern flatgebouw. De speler beschrijft het als volgt: “Ik heb een toren gebouwd…, eerst heb ik dit stuk gemaakt en dat stond niet erg stevig en ik was er niet tevreden over..., toen heb ik…”etc.
De therapeut reageert: “Goh, er was dus een torenbouwer die dit heeft gemaakt… kunnen we die torenbouwer erbij nemen?”


Hier wordt het beeld compleet gemaakt door de torenbouwer erbij te nemen en een plaats te geven. Hiermee wordt meteen bereikt dat de speler niet meer over zichzelf hoeft te praten en dus ‘buiten beeld’ kan blijven.
Was het een landschap geweest dan had gevraagd kunnen worden of er wel eens iemand komt en wie dan. Bij een gebouw had gevraagd kunnen worden waarvoor het dient, door wie het wordt gebruikt. De aanvulling die gevraagd wordt sluit dus aan bij de beschrijving van de speler.
Soms is meteen duidelijk dat het beeld incompleet is. Een baby alleen, onder een boom roept de vraag op bij wie die baby hoort. Bij dieren opgesloten achter hekken kan de vraag komen: wie zorgt voor ze, wie voert ze? Want een baby die voor zichzelf zorgt, bestaat niet en dieren gaan zonder verzorger die ze voert onherroepelijk dood. En als wordt geantwoord: “de moeder (of de verzorger) is heel ver weg” dan zijn ze toch present gesteld in hun afwezigheid.
De vragen naar het compleet maken van het beeld vloeien dus voort uit de ’logica’ van de gekozen spelfiguren. Zo kan bij een ophaalbrug gevraagd worden naar een brugwachter, bij een gevangenis naar de bewakers, bij een leger naar de aanvoerder, etc.

 

Maar ook een rijk uitgewerkte opstelling kan incompleet zijn als b.v. juist de conflictvolle relatie is weggelaten.


Een speler laat een mooi uitgewerkt landschap zien waardoor een spoor loopt met een treintje erop. Al werkend met het beeld wordt duidelijk dat de machinist van de trein niets liever zou willen dan het rechte spoor eens verlaten, de afslag naar de haven nemen en met een schip over de zee gaan zwerven.
De oplossing voor de behoefte aan vrijheid lijkt eenvoudig te bereiken. Tot echter de vraag komt wie eigenlijk het treinverkeer regelt. Dan blijkt op het station –dat buiten beeld is gelaten- een strenge controleur die te zitten die geen enkele afwijking van de dienstregeling toestaat.


Dit beeld wordt pas compleet met het in zicht brengen van de controleur die de bewegingen van de trein beheerst.

Dit toe-eigenen en compleet maken van het beeld is al de eerste therapeutische interventie: het helpt de speler om op een veilige manier zijn probleem te erkennen en weggelaten, relevante zaken mee in ogenschouw te nemen. Hiermee verschilt deze methode van opstellingen die voor diagnostisch gebruik gemaakt zijn.

 

Stap 2: compleet maken in de tijd.
Bij sommige beelden kan het nodig zijn het beeld compleet te maken in de tijd om de betekenisverlening van de speler te kunnen delen. Dit kan bijvoorbeeld bij de volgende beelden:
- een vrouw opgesloten achter hekken die van buitenaf gesloten zijn
- een scène met omver gegooide meubels in een kamer van een poppenhuis
- een figuur op de bodem van een kuil met diepe wanden
- een vogeltje in een woestijnlandschap, geen boom in de buurt, geen water, geen voedsel.
De vragen die daarbij gesteld kunnen worden zijn: wat ging hieraan vooraf? Hoe is dit gekomen? Waar komt het vandaan? Dit impliceert indirect ook de vraag: wie is hiervoor verantwoordelijk?

 

Stap 3: verhelderen
Pas als het beeld compleet is en de speler het als ‘eigen’ ervaart kunnen er vragen gesteld worden die verheldering geven over de individuele situatie in het beeld. Ook deze vragen worden niet over maar binnen het beeld gesteld. Dus in plats van te vragen “waar staat deze toren?” kan beter de vraag gesteld worden “als de torenbouwer nu omhoog klimt en rondkijkt, wat ziet hij dan om zich heen?”
Dit verhelderen van de situatie kan ook gebeuren door vragen die de relaties tussen de figuren verhelderen.


In het zand is een oerwoud gemaakt waarin verschillende dieren staan. Ze kijken allemaal naar het centrum van de opstelling waar op een heuvel een leeuw en een tijger met elkaar vechten. Een vraag ter verheldering kan zijn: kennen de leeuw en de tijger elkaar, kennen ze elkaar al lang? En ook: weten de leeuw en de tijger waarom ze met elkaar vechten?


Hier wordt dus niet de vraag gesteld: “waarom vechten de leeuw en de tijger met elkaar?” daar dit een vraag is over het beeld. (Waarom-vragen worden zoveel mogelijk vermeden: ze leiden zelden tot een bevredigend antwoord.)
Essentieel bij al deze vragen is niet dat de therapeut het beeld begrijpt maar dat het inzicht van de speler vergroot wordt.

 

Stap 4: de beweging: wat als…
Na deze verheldering kan beweging in het beeld gebracht worden door vragen als: wanneer hier iets gaat gebeuren, wie gaat dan het eerst bewegen? Wat zou er gebeuren als het hek open zou gaan? Naar wie zou de leeuw gaan als hij losbreekt? Wat zou er gebeuren als ze dichterbij komen?
Wat als… is steeds de kern van de vraag die het beeld in beweging kan brengen en daarmee ook de kern van de problematiek zichtbaar maakt. In het beantwoorden van die vraag wordt de speler zich ‘bewust’ van zijn gevoelens, zijn angsten, zijn wensen en zijn behoeftes.


In het centrum van een opstelling staat een pan waarin een vrouwfiguur is neergezet. Vanuit dit centrum zijn vorken en lepels straalsgewijs naar buiten gericht. In de beschrijving van het beeld heeft de speler verteld dat deze vrouw veel anderen kan voeden, ze heeft veel te geven. Als ze zelf honger heeft kan ze ook uit haar pan nemen, Het is goed eten. Maar soms dreigt het voedsel op te raken. Het is zelfs eens gebeurd dat alles op was en een van de dieren is toen aan de armen van de vrouw gaan knagen. Dit is een pijnlijke ervaring geweest en ze is bang dat het opnieuw zal gebeuren.
“Wat als ze stopt met voeren en de rest voor zichzelf houdt als de bodem van de pan zichtbaar wordt?” vraagt de therapeut de speler. “Dat zou de vrouw het liefste willen, maar dan is ze bang dat ze de eters teleurstelt”, is het antwoord.


Uit de zinsconstructie “eigenlijk zou ze…. maar…” of “het liefst zou hij… maar…” blijkt dat er barricades zijn die de oplossing van het probleem in de weg staan.

 

Stap 5: de hulpbronnen
Wanneer op barricades gestuit wordt kunnen de hulpbronnen van de speler gemobiliseerd worden met vragen als: wat heeft hij nodig om er wèl naar toe te durven gaan en hoe kan hij daaraan komen, is er hier iemand in de buurt aan wie ze hulp kan vragen, heeft ze dit eerder meegemaakt en hoe heeft ze het toen gered?
Ook kan het helpen om verdere differentiatie in het beeld aan te brengen. Zo zei de therapeut over de vrouw in de pan: “die vrouw hoeft natuurlijk niet iedereen teleur te stellen, maar als ze nou eens goed naar al die eters kijkt, is er dan één bij waarvan ze zegt ‘nou, jij hebt we genoeg gehad van mij’ of ‘jij bent nu groot genoeg om zelf voor je eten te zorgen’. Dit hielp de speler om na zorgvuldige overweging toch enkele figuren wat verder van de pan af te plaatsen.
Soms worden bij het in beweging brengen van het spelbeeld dingen afgebroken: een muur afgebroken, hekken weg gehaald, een toren gesloopt. Dan kan tussen de afbraakproducten gekeken worden of daar nog iets waardevols bij zit dat meegenomen kan worden. Het kan ook in de toekomst handig zijn om nog wat hekken bij de hand te hebben om bescherming te bieden of een grens aan te geven.

 

Stap 6: het eindbeeld
Het eindbeeld heeft veelal een lange doorwerking en kan de speler nog lange tijd bezig houden. Daar om is het belangrijk de hoofdfiguur niet in een té bedreigende, verwarrende of traumatiserende situatie achter te laten. Hiertoe helpen vragen als: wat zou hij nu willen voor zichzelf, wat heeft hij nu nodig?
Soms is dat rust of wat meer comfort in de situatie waarin hij nu is: een dekentje, een gemakkelijke stoel, iets te eten en te drinken. Soms ook is het nog iets meer bescherming: een wat hogere muur, een wat grotere afstand tot het bedreigende, een positie van waaruit beter overzicht mogelijk is.
Bij de afsluiting worden dus vragen gesteld naar de tevredenheid van de speler over het beeld: kan het zo blijven staan? Is het o.k. voor dit moment? Wil je er voor nu nog iets aan veranderen of toevoegen?


In een spelbeeld had een mensfiguur gestaan, gekleed in een spokenkostuum en gekluisterd aan een ketting met een zware bal eraan. Bij het in beweging brengen van het beeld had de speler het spokenkleed afgenomen en gezegd dat de figuur daarmee ook van de ketenen bevrijd was. De vrouw eronder had nog wel een megafoon nodig om gehoord te worden.
Bij de afsluiting staat het ‘spook ’nog vlak bij de vrouw en de therapeut vraagt of het zo veilig genoeg is voor haar. De speler antwoordt dat het spook nog niet weg is, het kan de vrouw nog steeds overvallen en ze weet niet wanneer dat zal gebeuren. Maar de speler plaatst het spook nu wel verder weg, aan de rand van de opstelling, zodat de vrouw als het spook tòch komt langer tijd heeft om het te zien aankomen en beter voorbereid is.

 

De laatste stap, goed kijken of alles kan blijven staan zoals het nu staat, helpt de speler om zich het (nu veranderde) beeld opnieuw eigen te maken en zich daarmee bewust te worden van zijn veranderde ‘opstelling’ ten opzichte van het probleem.

 

Misschien ten overvloede, maar nogmaals: alle vragen die gesteld worden staan niet ten dienste van een interpretatie door de therapeut maar worden gesteld vanuit een empathische inleving in de betekenisverlening van de speler, met als doel dat deze een beweging kan maken in de richting van een oplossing van zijn probleem.

 

 

Toepasbaarheid
Tenslotte nog iets over de toepasbaarheid van deze methode.
Deze methode is ontworpen om in therapie met jongeren en volwassenen gebruik te kunnen maken van de kracht van verbeeldend spel. In therapie met kinderen zal het spel zelden op deze manier gestalte krijgen. Voor kinderen is het immers geen enkel probleem om vanuit een statische opstelling over te gaan tot dynamisch spel; ze doen dit meestal spontaan en vanzelf. Ze hebben niet de gêne die volwassenen kunnen hebben om met speelstemmen te praten, poppetjes te laten bewegen en geluiden te maken. Aan hen hoeven we niet stapsgewijs vragen te stellen om tot beweging te komen. Wel kunnen de boven beschreven stappen de speltherapeut helpen in zijn verwoordingen van het spel en in het plannen van de interventies.

 

Tenslotte nog iets over de toepasbaarheid van deze methode.Deze methode is ontworpen om in therapie met jongeren en volwassenen gebruik te kunnen maken van de kracht van verbeeldend spel. In therapie met kinderen zal het spel zelden op deze manier gestalte krijgen. Voor kinderen is het immers geen enkel probleem om vanuit een statische opstelling over te gaan tot dynamisch spel; ze doen dit meestal spontaan en vanzelf. Ze hebben niet de gêne die volwassenen kunnen hebben om met speelstemmen te praten, poppetjes te laten bewegen en geluiden te maken. Aan hen hoeven we niet stapsgewijs vragen te stellen om tot beweging te komen. Wel kunnen de boven beschreven stappen de speltherapeut helpen in zijn verwoordingen van het spel en in het plannen van de interventies.


Naast de toepasbaarheid in therapie blijkt deze methode ook zeer bruikbaar in de opleiding aan therapeuten en andere hulpverleners. Zowel om díe facetten van de persoon op het spoor te komen die belemmeren om tot een goede therapeutische houding te komen, alsook om de kwaliteiten van de persoon te vinden.
In supervisie en intervisie is het een zeer bruikbare methode om inzicht te krijgen in de problemen van de cliënt waarmee je werkt. Door de problematiek van de cliënt in een spelbeeld weer te geven wordt niet alleen de problematiek verbeeld en geëxploreerd, maar kan ook onderzocht worden hoe de therapeut zich tot deze problematiek verhoudt. Wanneer een therapie stagneert en deze stagnatie in een spelbeeld wordt neergezet, kunnen binnen dit beeld de hulpbronnen gezocht worden (b.v. door het compleet maken van de voorstelling) en kunnen oplossingen worden ‘uitgeprobeerd’.

 


Dit artikel is gepubliceerd in:
“Spel werkt dus speel goed”
Uitg. HvU Press Utrecht
ISBN 90-5723-005-4