Odra Buijs
Tom Meulemans
       
Url: Literatuur|Spel en speler in beeld

spel en speler in beeld
Videoanalyse van spelcontact

Tom Meulemans


Wat is spelcontact?

Mensen kunnen op twee manieren contact met elkaar hebben: heel direct, door oogcontact, of door te kijken waar de ander naar kijkt. In dat tweede geval lijkt het alsof we helemaal geen contact hebben. Het tegendeel is waar.

Moeder doet haar baby een schone luier om. De geluidjes die ze hierbij maakt zijn hoog en haar gezichtsexpressie is heel uitgesproken. Dit stimuleert de baby tot heel veel mimiek en babygeluidjes, waarvan moeder op haar beurt weer geniet, enzovoort. Ze maken beurten, een vraag- en antwoordspel op lichaamstaalniveau.
Dit noemen we contact.

De spelbegeleidster komt de spelkamer binnen met een kind dat voor de eerste keer komt. Ze merkt dat het kind helemaal opgewonden rondkijkt naar al dat moois. Ze kijkt heel uitdrukkelijk mee rond en alsof ze ook voor de eerste keer het speelgoed ziet zegt ze: “hier hebben ze veel speelgoed hè”.
Ze kijken elkaar niet aan, maar toch noemen we dit evenzeer contact. Sterke nog, als ze niet zou opmerken waar het kind naar keek en zou doorgaan met oogcontact te zoeken zou ze al meteen in het begin het contact met het kind kwijt kunnen raken. Deze twee voorbeelden maken duidelijk wat er in de spelsituatie gebeurt: er is een spel, een verhaal, een spelhandeling en er zijn spelers, het kind met de therapeute, de moeder met haar baby of broertje en zusje samen.

En overal waar mensen met elkaar samen zijn is communicatie: ook al lijkt het soms dat een kind heel geconcentreerd in zijn spel opgaat, hij zendt toch boodschappen uit: “blijf af!”, “je vindt het toch wel goed?”, ”leuk hè!” of “ik ga winnen!”. Soms word je er overduidelijk bij betrokken, soms met niet meer dan een korte draai met het hoofd, soms voel het allen vluchtig. Het lijkt heel simpel, maar toch zijn wij gewend het spel slechts te beschrijven in termen van wat er gebeurde: wat het kind tekende, dat hij een toren bouwde, wat er gebeurde. Of in kwalificaties van de speler(s): dat hij ongeduldig is, niet luistert of verlegen is.

Videobeelden

Videobeelden van een spelsituatie laten veel meer dan het verhaal zien:
Een leidster zit op de grond met een baby van 4 maanden die met een rekje met balletjes en ringetjes aan het spelen is. De baby probeert het balletje te pakken maar het kost nog heel veel moeite. De leidster kijkt mee, even gespannen als het kind, ze zucht mee als het wéér niet lukt en op dezelfde toon als de baby kraait ze mee van plezier als de baby de bal heeft.
Tussen de leidster en de baby vindt een vraag- en antwoordspel plaats: de leidster beantwoordt de geluidjes van de baby en stimuleert hem nóg meer moeite te doen. De concentratie van de baby wordt door haar gespiegeld doordat ze intensief de inspanningen, bewegingen en zuchtjes van de baby volgt. De leidster heeft zonder het zich bewust te zijn veel invloed op de prestaties van de baby. Ze zijn wel degelijk samen aan het spelen, ook al doet de leidster niets met de bal. Het opmerkelijke van videobeelden is dat ze die invloed van de volwassene heel concreet in beeld brengen: hoe klein ook, in de micro-analyse is de reactie van de baby op de belangstelling van de leidster te zien. Het kan de baby helpen nog meer moeite te doen de bal te pakken, nog fanatieker te zuchten. Het kan ook dat het de baby uitnodigt om als het gelukt is met een stralend gezicht kort de leidster aan te kijken en haar te “vertellen” hoe trots hij is. En als ze de baby blijft volgen zal ze verguld zijn met die blik en breed teruglachen. Zo maken ze samen beurten met elkaar.
Deze communicatie, de lichaamstaal, die zowel verbaal als non-verbaal wordt uitgewisseld tussen mensen, verloopt volgens een aantal basisprincipes. In de video-interactiebegelediding, VIB, staan deze principes centraal: bij het contact tussen moeder en kind, of om aan te geven hoe het contact tussen speltherapeut en kind verloopt. Ook de begeleidingsrelatie binnen supervisie verloopt volgens contactprincipes. Het is een heel algemene basiscommunicatie, waarin mensen verbaal, maar vooral non-verbaal boodschappen uitzenden en ontvangen. De videocamera heeft deze contactkenmerken concreet zichtbaar gemaakt. Videoanalyse heeft een einde gemaakt aan vage begrippen als ‘elkaar intuïtief aanvoelen’, ‘mijn gevoel zegt me dat’ of ‘ik merkte aan hem’ en ‘wij begrijpen elkaar’. Al deze gevoelsmatige categorieën van wat wij ´goed contact´ noemen zij concreet aan te wijzen en daarmee bespreekbaar en zelfs overdraagbaar.
Attent zijn, aandacht hebben, toewending, oogcontact; beurtverdeling, de beurt geven of nemen; benoemen, spiegelen, meebewegen, je afstemmen; bevestigen, vriendelijke intonatie, ja knikken; leiding geven, initiatief nemen, bemiddelen: al deze basisbegrippen geven aan wat uitwisseling tussen mensen inhoudt. Ze vormen de basis van alle contact, zoal mensen dat als prettig benoemen.  In een spelsituatie zijn het concreet hanteerbare begrippen waarmee de kwaliteit van het spelcontact kan worden aangeduid, de communicatievaardigheden van speler en spelbegeleider.

Het werkzame van video interactie begeleiding is ook dat deze basisprincipes tegelijk het instrument zijn om het spelcontact te verbeteren.

Neem het spel met een kind dat je nauwelijks aankijkt, weinig of geen woorden gebruikt en doet alsof je als therapeut lucht voor hem bent. In het normale menselijke verkeer interpreteren wij lang vóór we het ons bewust zijn dit gedrag als een signaal om met rust gelaten te worden. Een therapeut die zich goed weet af te stemmen op de speler zal willen nachecken of dit juist is. Hij kan dit doen door te benoemen wat de ander doet en tegelijk heel goed te kijken wat voor effect dit op die ander heeft. Vult deze aan, pakt hij het op als een uitnodiging om op te kijken, of zelfs een uitnodiging tot oogcontact, dan is dat een stimulans voor de therapeut om door te gaan. In de taal van de basiscommunicatie heet dit: de therapeut krijgt de bevestiging dat zijn boodschap is ontvangen.

Al deze overwegingen doen we heel ‘voorbewust’. Communicatie verloopt heel snel, zeker de non-verbale communicatie van een oogopslag, het spiegelen, een knikje of het toewenden van je gezicht of je houding. Het nieuwe van video is dat deze de lichaamstaal aanwijsbaar maakt door terug te spoelen en het beeld stil te zetten om er de aandacht op te vestigen en door uitvergroting door middel van close ups.
Kijken naar basiscommunicatie maakt niet alleen vage begrippen als ‘intuïtie’ en ‘aanvoelen’ concreet. Het biedt ook de mogelijkheid onze neiging tot oordelen, tot het opplakken van etiketten als ‘goed of slecht spel’ of ‘leuke en vervelende karaktertrekjes’ te vervangen door inzicht in de interactie. De feedback dat een kind schrikt van jouw harde stem is een heel andere dan: “wat heb jij een harde stem”.

Waarom videoanalyse van spelcontact?

Het analyseren van videobeelden kan verschillende doelen dienen:

1. De belevingswereld van het kind in beeld:
Je kunt nauwkeurig zien wat er in een kind omgaat. Natuurlijk zal een goede therapeut dit tijdens het spel ook doen. Video levert echter iets extra’s. Tijdens het spel zelf ben ja als begeleider of therapeut betrokken: je moet reageren op wat het kind naar jou doet, je moet op het juiste moment initiatief nemen. In een flits heb je misschien ook wel gezien dat het kind angstig keek. Bij het terugkijken van de videobeelden kun je in alle rust zo’n moment terughalen. Een close up van het gezicht  kun je in stilstaand beeld voor je zien; dan komt het spelmoment in als zijn emotionaliteit terug en tegelijk heb je de tijd erop te reflecteren. En soms moet je ontdekken dat je dat korte angstmoment van het kind over het hoofd gezien had.
Dan leveren beelden echt een verrassing op.
Beelden laten je de werkelijkheid herbeleven: je voelt opnieuw heel lichamelijk wat er toen gebeurde. Het is ook nooit saai, omdat de werkelijkheid zo gecompliceerd is dat je telkens weer andere dingen ziet. Tegelijk werken videobeelden als een foto van een vakantie: het beeld blijft in je geheugen en zal van invloed zijn op iedere volgende keer dat je in zo’n situatie komt. Je zult de angst van het kind, die je zo uitvergroot in stil beeld hebt gezien op de monitor, de volgende keer niet over het hoofd zien. Je zult eerder alert zijn wanneer een soortgelijke situatie zich voordoet. Je hoeft dan niet met een soort opdracht in je hoofd, ‘beter alert zijn op zijn angsten’ de volgende spelsituatie in te gaan. Het beeld van die angst zit al in je hoofd en ook de context waarbinnen die optrad. Het is daarmee een veel meer geïntegreerd deel van je hele houding geworden.

2. videodiagnostiek
je kunt door microanalyse een belangrijke bijdragen leveren aan de diagnostiek, met name als er vragen zijn over de contactmogelijkheden van het kind. Videobeelden laten interactie zien en geven een goed beeld van de manier waarop het kind aandacht vraagt. Door heel nauwkeurig naar de lichaamstaal te kijken is het mogelijk beter te begrijpen wat de betekenis ervan is. Je kunt beter de bedoelen of intenties in het gedrag van het kind ontdekken. In woorden contact beschrijven is vaak heel gebrekkig, beelden laten veel totaler zien hoe het contact verloopt.

In een spelobservatie lees je: “hij maakt nauwelijks oogcontact”. Of het kind daarbij met ‘lege ogen’ naar jouw gezicht kijkt of plotseling zijn blik afwendt omdat hij zich betrapt voelt is een hemelsbreed verschil.

In het eerste geval is er sprake van éénrichtingsverkeer, in het tweede vindt heel kort een intensieve uitwisseling plaats. In het eerste geval zul je in het gezicht van de therapeut verwarring kunnen lezen, iets verlegen van ‘wat moet ik hiermee’. In het tweede geval zal de therapeut reageren met veel intonatie: “ja, ja, ik zag het wel”. De kunst is om te zorgen voor videobeelden waarop die emotionele nuances te zien zijn, de kunst is ook om de beelden zodanig te analyseren dat je die momenten niet over het hoofd ziet. Daarvoor is nodig dat je kijkt met dezelfde soort intuïtie als waar je in het contact zelf gebruik van maakt, kijken met een blik van ‘hé, wat was dat, wat gebeurde daar?’ Zo’n moment springt eruit, je kunt het even terugzoeken en stilzetten bij het juiste fragment. Videoanalyse, ook microanalyse is geen opstelling van individuele expressies en geen observatie in technisch-wetenschappelijke zin: ons gevoel is minstens zo’n belangrijke indicator voor wat er gebeurt als wat we menen te weten of te begrijpen. Videoanalyse levert ook een ander soort diagnostiek op: in plaats van het benoemen van een individueel tekort of persoonlijke kwaliteit sec zal videodiagnostiek altijd gaan over relationele processen: altijd gaat het om interactie en dus altijd is er sprake van invloed van de één op de ander.

Olga en de stagiaire spelbegeleiding:
Olga is een meisje van 6 jaar bij wie de diagnose autisme of aan autisme verwante contactstoornis is gesteld. De stagiaire is nieuw en vindt het heel spannend dat er gefilmd wordt. Op de beelden is Olga in close up te zien met een uiterst vreemd gezicht. Het bevestigt het beeld van een gestoord kind. Bij nader terugkijken van beelden valt ineens op dat de stagiaire heel verkrampt kijkt en dat het gezicht van Olga er precies zo uit ziet. Olga had de spanning van de stagiaire gespiegeld. Ze kon, zo bleek ook uit de beelden, in het contact met haar vertrouwde speltherapeute, er zo ontspannen uit zien, dat een buitenstaander niet zou vermoeden dat er van contactproblemen sprake zou kunnen zijn.

Het voorbeeld maakt duidelijk dat het observeren van individuele expressies tot heel verwarrende resultaten kan leiden en dat videodiagnostiek direct aanwijzingen geeft voor omgangsvormen en contactmogelijkheden.

3. begeleidingsadvies
Een adviesgesprek met ouders of met de leerkracht kan al snel leiden tot het innemen van stellingen over de aard van de problematiek van het kind. Nog moeilijker lijkt het als die problematiek lijkt samen te gaan met de manier waarop met het kind wordt omgegaan, thuis of op school. Het is moeilijk om over te dragen wat jouw ervaring als speltherapeut in de omgang met het kind is geweest: moeilijk om niet als deskundige te vervallen in adviezen aan de ouders of de leerkracht.
Bij videoanalyse is de situatie heel anders: je laat zien hoe het spel bij jou verloopt, je maakt missers en je hebt succesmomenten. Je bent als therapeut kwetsbaar. Maar er ontstaat wederzijdse herkenning. Die herkenning door videobeelden is heel totaal: wat er gebeurde, wat het kind deed, maar ook hoe jij je daarbij voelde, dat je boos werd of in verwarring raakte. Je maakt het allemaal opnieuw mee. In de videoanalyse met de ouders of de leerkracht zijn niet alleen de feiten maar ook de gevoelens heel present. Die gemeenschappelijke herkenning kan vruchtbaar gemaakt worden door met elkaar uit te wisselen op welke manier je met dit kind en deze handicaps verder kunt. Videobeelden leggen niet vast hoe dit kind is, beelden tonen nooit alleen de handicaps, beelden laten zien hoe die handicaps zich manifesteren in de omgang met anderen. Ze geven dus ook altijd weer wat de rol van die ander is of zou kunnen zijn.

4. Video feedback
Videobeelden leveren de therapeut een heel goed feedback instrument voor intercollegiale ondersteuning. Daarvoor is wel nodig dat je de beelden goed hanteert. Op film staan de kwetsbare kanten van wat je doet levensgroot geprojecteerd. Ze kunnen je maken of breken.
Evenals bij de beelden van het kind geldt ook voor jezelf: het gaat altijd om de interactie met de ander. Dus ook hier geldt: als je wat onwennig kijkt of een wat vreemd initiatief neemt is het goed om te kijken naar de interactie; niet jíj doet vreemd of ziet er gek uit. De juiste vraag is; wat gebeurt er in de interactie, waardoor je zo doet? Dat geldt ook voor jouw handelen. Niet of jij iets goed of verkeerd deed is van belang, maar het effect daarvan op de ander. Achteraf kun je zeggen: “ik wilde dat niet”. Dan kun je met de anderen die meekijken ontdekken waarom je dat deed en alternatieven bedenken. In plaats van beschuldigend worden de deelnemers dan creatief in het zoeken naar mogelijkheden.